De Bloeiende Boom

Het schijnt dat de Mensen eens verspreid over de hele wereld leefden. Elk van hen had gehoord over de Machtige Persoon die in de rivier leefde. Er werd gezegd dat deze persoon elk probleem kon oplossen, wat voor probleem het ook was.

Omdat niemand aan iemand anders wilde toegeven dat hij een probleem had, moest iedereen alleen naar de rivier toesluipen als ze naar deze Machtige Persoon wilde luisteren. En iedereen sloop omlaag naar de rivier om de Machtige Persoon te horen spreken, maar niemand sprak hier met een ander over.

Op een dag kwamen een Klein Jongetje en een Klein Meisje terug van de rivier. Dit Kleine Jongetje en Kleine Meisje vertelde aan iedereen over hun reis.

“Het was heel vreemd”, vertelden de Kinderen.

“Wat was er zo vreemd?” vroegen de Mensen, die zich om de Kinderen heen verzamelden en net deden of ze van niets wisten.

“Hebben jullie dan niet gezien wat er in de rivier is?” vroegen de Kinderen.

“Nee”, zeiden alle Mensen in koor. “Wat hebben jullie daar dan gezien?”

“Zijn jullie dan niet allemaal omlaag naar de rivier geslopen net als wij?” vroegen de Kinderen verbaasd.

“Wie heeft er ooit zoiets geks gezegd?” vroegen de Mensen kwaad.

“Nou, wij” antwoorden de Kinderen die bang begonnen te worden.

“Haal het nooit meer in je hoofd zoiets verschrikkelijks te zeggen.” Zeiden de Mensen beschuldigend.

De Kinderen werden nu zelfs nog banger. Zij zagen dat ze vreemden waren geworden, zelfs voor hun eigen moeders en vaders. Dit zorgde ervoor dat alle Mensen wegtrokken en het Kleine Meisje en Kleine Jongetje alleen achterlieten op de prairie. Die nacht waren zij bang en alleen omdat alles zo vreselijk leek te zijn.

“Rustig maar, mijn Kinderen” sprak een vriendelijke stem plotseling tot hen. De Kinderen keken op om te zien wie er had gesproken. “Wie ben jij?” vroegen de Kinderen. “Ik ben het, Oude Man Coyote.” sprak de stem. Terwijl hij sprak, kwam hij de tipi binnen en legde een bundel brandhout naast hen neer. “En ik ben het, Oude Vrouw Coyote.” Sprak een andere stem teder. Ze ging zitten en begon een pijl in haar boog te draaien om een vuur voor hen te maken.

Het duurde niet lang of het vuur zorgde voor warmte en licht in hun tipi. Recht tegenover hen, aan de andere kant van het vuur, zaten een Oude Man en een Oude Vrouw.

“Wie zijn jullie?” vroegen de Kinderen, die zich inmiddels alweer iets beter voelde.

“Wij zijn jullie grootvader en grootmoeder.” Antwoordde de Oude Vrouw, terwijl ze de Kinderen wat bizonvlees aanbood.

“En wij zijn ook de Machtige Persoon in de rivier.” Voegde de Oude Man eraan toe en bood de Kinderen wat zoet voedsel aan.

“Maar wij zagen alleen onszelf toen wij de rivier bezochten.” Zeiden het Kleine Jongetje en het Kleine Meisje samen.

“Ja, dat is waar.” Antwoordden de Oude Man en Oude Vrouw samen.

“Ik begrijp het niet.” Zei het Kleine Jongetje.

“Alle Mensen hebben de rivier bezocht, net als jullie.” Begon de Oude Vrouw.

“En allemaal zagen zij alleen maar zichzelf, net zoals jullie deden.” Maakte de Oude Man de zin af.

“Wat ontzettend vreemd.” Zei het Kleine Meisje.

“Ik begrijp het niet.” zei het Kleine Jongetje.

“Zij dachten ook dat het vreemd was.” Antwoordde de Oude Man.

“En zij begrepen het ook niet antwoordde de Oude Vrouw.

“Waren jullie ook hun weerspiegelingen, net zoals bij ons?” vroeg het Kleine Meisje opgewonden.

“En zij geloofden hun ogen niet.” Zei het Kleine Jongetje uitgelaten.

“Ja” zei de Oude Man, “je hebt gelijk. Nu moet je de Mensen vinden en hen deze geschenken aanbieden.”

“Wat zijn deze geschenken dan?” vroeg het Kleine Meisje.

“Dat zijn twee coyote huiden” antwoordde de Oude Vrouw. “Zeg hen dat ze deze om moeten doen en ze zullen nooit meer honger hebben.” En dus deden de Kinderen dit. De volgende dag vonden ze de Mensen en boden hen de twee coyote huiden aan.

“Waar zijn ze voor? “Vroegen de Mensen. “Er zijn duizenden van deze huiden te krijgen lachten ze.” “We hebben bizons nodig om onze honger te stillen, niet zulke gekke huiden.”

“Doe ze dan om” moedigde de twee Kinderen het volk aan en ze vertelden over hun visioen. Maar dit deed de Mensen alleen nog maar harder lachen.

In dit kamp leefden twee Vriendelijke Mensen. De één was een man en de ander was een vrouw. Zij leefden samen in dezelfde tipi. Deze twee Vriendelijke Mensen hielden van de Kleine Jongen en het Kleine Meisje en wilde graag voor hen zorgen. Ze stapten allebei in de kring van de Mensen en sloegen hun armen om de twee Kinderen heen en adopteerden hen. “Ik zal een van de huiden dragen” zei de man tegen het Kleine Meisje. “En ik zal ook een van de huiden dragen “zei de vrouw tegen het Kleine Jongetje. De Kinderen gaven de coyotehuiden aan de man en de vrouw die hen geadopteerd hadden en de man en de vrouw deden ze om.

“Er zijn bizons in het noorden en in het zuiden” zei de man tegen de Mensen, want nu kon hij ze zien. “Er zijn bizons in het westen en in het oosten” zei de vrouw omdat zij ze nu ook kon zien. Alle Mensen werden opgewonden omdat zij ook plotseling de bizons konden zien. “Laten we in het noorden gaan jagen” zeiden sommige van hen. “Nee” schreeuwden anderen snel, “de bizons in het zuiden zijn veel vetter” “Nee! Nee! Ruzieden weer anderen. “In het westen zijn ze veel groter.” “Nee! Nee!” Zei de rest van het volk kwaad. “De allerbeste zijn in het oosten.” “Oh, alsjeblieft, maak toch niet zo’n ruzie met elkaar” smeekten de man, de vrouw, het Kleine Jongetje en het Kleine Meisje. “Jullie houden alleen jezelf voor de gek. Doe de coyotehuiden om en je zal het begrijpen.”

Maar de Mensen waren heel erg kwaad en ze wilden niet meer in de kring bijeenkomen om te overleggen. “Dood deze onruststokers!” schreeuwden de Mensen. En ze stoven met zijn allen op deze vier af, die in het midden van de kampcirkel zaten. Maar toen ze bij het kampmidden aankwamen, merkten ze dat het Kleine Jongetje en het Kleine Meisje een gevorkte Bloeiende Boom waren geworden. Ze keken snel om naar waar de man en de vrouw waren gebleven die de twee Kinderen hadden geadopteerd, maar alles wat ze konden vinden waren de voetsporen van twee bergleeuwen.

Deze sporen leidden naar het noorden. De Mensen waren zo kwaad dat ze hard tegen de bloeiende boom aan sloegen. “Laten wij de twee bergleeuwen volgen en hen doden.” besloot het volk samen. Ze volgden de sporen naar het noorden om de twee bergleeuwen te vinden. Ze renden en renden, totdat plotseling de sporen van vier leeuwen waren geworden. Deze sporen leidden het volk met een grote boog terug naar de Bloeiende Boom.

Alle mannen en vrouwen gingen samen rond de Bloeiende Boom zitten omdat ze zo moe waren en begonnen met elkaar te praten. “Waarom doen we dit?” vroegen een paar mannen en vrouwen aan de anderen. “We willen eigenlijk niemand kwetsen of doden” zeiden een paar anderen. “Maar waarom renden jullie zo dan?” vroegen weer anderen. “We volgden alleen jullie alleen maar” zeiden degenen die werden aangesproken verbaasd. En ze begonnen allemaal te lachen.

Toen hoorden alle Mensen gezang en ze keken allemaal op. Daar, zittend in het noorden, zagen ze een Witte Coyote die zong. Ook keken ze naar het zuiden en daar zagen ze een Groene Coyote. Ook zij zong. Toen keken ze naar het westen en daar zat een Zwarte Coyote zijn lied te zingen. Tenslotte keken ze naar het oosten en daar zat een Gouden Coyote en zij was ook aan het zingen. Het hele volk ging daar samen stilletjes zitten en leerde van deze vier wonderschone liederen. Het waren de liederen van Vier Leeuwen. Toen keken de Mensen om zich heen en zagen dat elk van hen een coyotehuid droeg. Ze legden hun armen om elkaar heen en begonnen samen naar de Bloeiende Boom toe te dansen, in een grote kring. De Mensen waren gelukkig.